In de jaren 2012 - 13 en 14 bezochten we de meeste bezienswaardigheden.
Nu in 2026 beperken we ons uitsluitend door te genieten van de rust, de zon, de schoonheid van het land en het lekkere eten
Eind 2025 nadert en we besluiten de koudste periode in België te skippen voor een warm avontuur – zoals we dat graag doen: echt reizen, op ons eigen tempo, rekening houdend met onze leeftijd.
We kiezen opnieuw voor Thailand, een land waar we al vier maanden rondtrokken en 18.000 km aflegden. Subtropisch, niet te ver vliegen, rijke cultuur, vriendelijke bevolking, gevarieerde natuur en die overheerlijke keuken. Mexico bewaren we voor later…
Een Land in verandering
Thailand, het Land van de Glimlach, bruist van energie en veerkracht. Terwijl we in januari 2026 onze roadtrip starten, staat het land aan de vooravond van cruciale verkiezingen op 8 februari. Een turbulent 2025 – met politieke verschuivingen en een grensconflict met Cambodja in het oosten – ligt achter ons, maar een fragiel staakt-het-vuren houdt stand.
Juist in deze dynamische tijd voelt een roadtrip extra avontuurlijk. We rijden door een land dat herstelt na de pandemie, met bloeiend toerisme, adembenemende natuur en die typische warme gastvrijheid – van bruisend Bangkok tot rustige stranden en noordelijke bergen.
in Thailand hebben ze geen gebrek aan beton
beton - beton - beton aanleg nieuwe metrolijnen en herstelwegen ten zuiden van Bangkok
De non-stop vlucht met Thai Airways van Brussel naar Bangkok duurt normaal 11 uur. Een sterke rugwind van 177 km/u liet ons een uur vroeger landen: op 2 januari 2026 om 5u10 lokale tijd.
Vroeger moesten we om de 14 dagen het land uit met onze FJ Cruiser; nu mogen we 60 dagen visa-vrij blijven – zalig!
Geen leeftijdsbeperkingen voor huurauto’s: een redelijk nieuwe mooi gepoetste Toyota Fortuner staat klaar aan de luchthaven. Bagage erin en vertrekken… maar CarPlay werkt niet! Met hulp van de verhuurder en een vertaal-app ontdekken we dat een verkeerde USB-C-kabel de boosdoener is.
onze Toyota Fortruner
ons eerste hotel in Hua Hin mag er zijn
Zoals altijd hebben we een summier reisplan. Hotel kamers reserveren we meestal zo laat mogelijk, in de namiddag soms. Daardoor houden we alle opties open en hebben we doorgaans substantiële prijskortingen op de hotelkamers.
Vandaag rijden we een kleine 250 km richting zuiden naar de grens met Maleisië. In Hua Hin hebben we onze eerste etappe slaapplaats. Het was wel even wennen aan het rechtse stuur van de Fortuner vooral om achter het stuurwiel te komen maar voorbij steken gaat een stuk vlotter dan bij de FJ destijds..
In het recent gebouwde resort hebben we een klein beetje kunnen bekomen van de slapeloze vlucht en kunnen we onze volgende tocht, 300 km naar Sara resort aan het strand in Chumphon aanvatten.
Het roekeloze en ongedisciplineerde rijgedrag van de Thais zijn we alweer gewoon. We kiezen voor zover we kunnen voor kleine wegen ver van de drukte.
we reden veel garnalen kwekerijen voorbij
de gevolgen van de overstromingen zijn nog zichtbaar
dit moet wel erg geweest zijn
We beperkten ons tot het bezoeken van de vijfvingerige rots in het Khao San Yot national Park - want klimmen tot het vieuwpoint was te lastig, voor onze leeftijd, volgens de gids
de bedradingen langs de straten hangen hier nog altijd
Twee nachten in Sara resort en we zijn op weg naar Surat Thani langs weer zoveel mogelijk kleine wegen dicht bij de kust,en die wegen liggen er soms verlaten bij. De gebieden hier in het zuiden zijn een paar weken geleden getroffen door verwoestende overstromingen en de sporen ervan zijn nog duidelijk te zien.
ons hotel: Sara resort in Chumphon is een parel kwa uitzicht
's morgens aan het ontbijt
hier bleven we twee nachten ....uitrusten
Hier gaan we wat luieriken
Lieve aan het zwemmen.....heerlijk
En de zondvloed?
Eind november en december 2025 werd Surat Thani zwaar getroffen door ernstige overstromingen door aanhoudende moessonregens. Meerdere districten, waaronder Koh Samui en Koh Phangan, stonden onder water, met flash floods, landverschuivingen en overlopende rivieren. De provincie werd deels uitgeroepen tot rampgebied, met impact op duizenden huishoudens en het toerisme.
Begin januari 2026 is de situatie sterk verbeterd: het water is grotendeels gezakt en de regio herstelt zich. Volgens het Nederlandse reisadvies (bijgewerkt tot 4 januari 2026) is het zuiden van Thailand weer normaal, inclusief Surat Thani en de eilanden. Wel blijft het moessonseizoen tot januari risico op regen en mogelijke overstromingen geven, maar er zijn geen acute problemen meer gemeld. Ideaal moment voor een roadtrip!
de kustweg naar Surat Than is wel mooi
de resten van de overstroming een maand geleden
het duurt wel een eindje vooraleer het water is weggetrokken
Derde keer Surat Thani, en nog steeds verrassend vertrouwd. Rustig landen in vertrouwde Wang Tai hotel.
Voor de derde keer belandden we in Surat Thani, en opnieuw kozen we voor hetzelfde Chinese hotel: Wang Tai, pal aan de rivier. Niet het meest luxe adresje, maar de ligging is perfect – je stapt zo het levendige deel van de stad in.
We besloten het deze keer bewust rustig aan te doen. Geen grote uitstapjes, geen must-see tempels of markten afvinken. Gewoon even landen, de sfeer opsnuiven en ons overgeven aan het ritme van de stad.
Overdag genoten we van de rust in het hotel, ’s avonds maakten we een ontspannen wandeling langs de Tapi-rivier. Uiteindelijk belandden we twee avonden op rij in hetzelfde fijne restaurantje – goed eten en als dessert de overheerlijke banana roti - relaxte sfeer en geen poespas. Precies wat we nodig hadden na al die kilometers.
in Azië worden de handdoeken mooi gedrapeerd op het bed
vreselijk - alleen aan de neusring vastgemaakt
Pech met regen in Thale Noi
Na twee nachten pakten we de auto weer richting Thale Noi Waterbird Park, een vogelreservaat dat al lang op ons lijstje stond. We overnachtten in Phatthalung in een splinternieuw (wéér Chinees) hotel – schoon, modern en verrassend comfortabel.
De volgende ochtend vol goede moed naar het reservaat… om prompt te worden begroet door tropische stortbuien. Het regende zo hard dat we amper iets zagen, laat staan vogels. De lotusvijvers en bootjes bleven verborgen achter een grijs gordijn van water. Typisch Thailand in het regenseizoen: mooi weer beloofd, realiteit heel anders.
We lachten erom, droogden ons af in de auto en besloten door te rijden naar Krabi.
de moesson is duidelijk nog niet voorbij
de floating market ligt er verlaten bij
de mensen kennen hier geen gevaar
rubberplantages langs de weg
Aan boedabeelden geen gebrek
Afgesloten tempel en een heerlijke visavond in Krabi
Daar aangekomen wilden we nog even het beroemde Tiger Cave Temple (Wat Tham Suea) doen – die indrukwekkende trap met 1.260 treden en spectaculair uitzicht. Helaas: afgesloten voor bezoekers. Pechdag twee op rij.
Maar de avond maakte veel goed. We vonden een fantastisch visrestaurant vlak bij zee – verse garnalen, krab, gegrilde vis, alles perfect bereid met dat typische Thaise vuurwerk van kruiden. Met uitzicht op de golven en een koud biertje erbij voelde alles weer helemaal goed.
in Krabi gingen we heel lekker eten
op weg naar Puckhet - mooie streek met krijtbergen
iedere stad heeft zijn portaal
in Patong beach staan nog veel borden die ontsnappingsroutes aanduiden voor een Tsunami
Van file-hel naar bucketlist-moment in Patong
De volgende etappe bracht ons naar Patong Beach op Phuket: 160 kilometer rijden, waarvan de laatste 50 km pure hel. Meer dan twee uur bumper aan bumper in moordend verkeer, claxons, scooters die overal tussendoor zigzaggen… vermoeiend.
En ja, Patong is nóg drukker geworden sinds ons vorige bezoeken in 2000 en 2014. Lawaai, neon, massa’s mensen, overal commercie – het is niet echt onze biotoop. Maar we hadden één grote reden om terug te komen: Zuma Phuket, het fameuze Japanse restaurant, stond op onze bucketlist na onze ervaringen in Bangkok, Istanbul en Londen.
we reden 2 uur voor 25 km.....
onze bizarre welkomstdrink - wel lekker
en hier aten we opnieuw onze geliefde "bananapancake"
denk je dat Dirk dit lekker vindt?
en dat hebben ze hier ook
de elektriciteitskabels in Thailand
Die ene avond maakte de hele rit meer dan goed waard. Een rit van maar 25 km maar met met het helse verkeer was dat een rit van exact twee uur.
Prachtige setting, sublieme sushi en izakaya-gerechten, wagyu beef en perfecte service… het was alles waar we op gehoopt hadden. En meer nog toen onze buurman, een Zwitser, mij zijn eigen meegebrachte Bordeaux wijnen liet proeven. Een chateau La Tour van 2004 en een Angelus van 2005.
Thailand blijft verrassen – soms met regen en pech, soms met onverwachte hoogtepunten. En dat is precies waarom we blijven terugkomen.
Van Patong naar Ranong – een reis door tijd en verandering
Zondag 11 januari. Vanaf het balkon van onze kamer op het achtste verdiep zien we dat het opvallend rustig is in de straten beneden. Het is al bijna middag. Geen bonkende Patong-tuk-tuks, geen massa’s toeristen.
“Eindelijk rust,” zucht ik even later, terwijl we de koffers in de auto laden.
Voor ons ligt een rit van 320 kilometer noordwaarts, richting Ranong. De route voert langs Khao Lak – een plek die ons in 2013 diep raakte. Toen, precies negen jaar na de verwoestende tsunami van 26 december 2004, waren de sporen nog overal zichtbaar. Mensen vertelden ons over verloren dochters en zonen, over families die in één enkele golf verdwenen. Over een zee die ’s ochtends kalm was en ’s middags alles meenam.
Vandaag zijn we benieuwd: hoe ziet Khao Lak eruit, meer dan 21 jaar na die zwarte dag?
Khao Lak: onherkenbaar veranderd
Bij aankomst kijken we elkaar verbaasd aan. Niets lijkt nog op vroeger. Ons vroegere hotel, het Royal Bangsak Beach Resort, aan Bangsak Beach gelegen is volledig getransformeerd. Het heet nu Outrigger Khao Lak Beach Resort en oogt strak, modern.
Ook de oude N4 herkennen we nauwelijks terug. Waar vroeger een eenvoudige weg liep, ligt nu een strakke vierbaansweg.
“Waar zijn al die herkenningspunten gebleven?” mompel ik. Het kleine restaurantje waar we destijds aten, de gebouwtjes errond – allemaal verdwenen.
Via een zandweg rijden we tot op het strand. Wat een contrast. De stille, bijna eerbiedige rust van 2013 heeft plaatsgemaakt voor leven. Een visrestaurant, een café onder de pijnbomen, gezinnen en reizigers die genieten van zon en zee. De natuur heeft zich hersteld, de mensen hebben herbouwd – maar de herinnering aan die ene golf lijkt nog ergens in de lucht te hangen.
het vroegere zwembad in 2013 - het mooie resort nu in 2026
in 2013 waren de sporen van de tsunami nog duidelijk zichtbaar - nu is het een aantrekkelijke toeristische trekpleister
Rond het zwembad van het resort staan nu tientallen ligbedden. Geen spoor meer van de leguanen die we hier vroeger zagen rondwandelen. Een jonge hotelbediende komt nieuwsgierig dichterbij en nodigt ons vriendelijk uit om het resort even te bekijken. We vertellen hem over ons bezoek twaalf jaar geleden.
“Hebben jullie toevallig oude foto’s?” vraagt hij enthousiast.
We tonen hem enkele beelden op onze telefoon. Zijn ogen worden groot.
“Wow… dit herken ik bijna niet meer! En weten jullie dat de koninklijke boot die hier na de tsunami aanspoelde, intussen is verplaatst?”
We zijn even stil.
“Trots op hoe alles is heropgebouwd,” zeg ik zacht. “Maar ook weemoedig om wat voorgoed verdwenen is.”
De littekens van de tsunami zullen nooit volledig verdwijnen, maar de veerkracht van de mensen hier blijft indrukwekkend.
Lieve geniet op de plaats waar er zoveel jaar geleden zich een drama voordeed
hier is een memorial park van de tsunami
Op weg naar Ranong
De rit verder naar Ranong voelt opnieuw als een avontuur. Zelfs met een goed fotografisch geheugen lijkt alles onbekend. Overal zijn bouwwerven, wegen die plots versmallen of net verbreden tot dubbele rijbanen. Thailand blijft zichzelf heruitvinden.
Rond 18.00 uur melden we ons aan in ons hotel in Ranong. Nog net genoeg daglicht om de stad even te voelen, voor de avond valt.
spicy - spicy - spicy - spicy
Ranong: De verborgen parel van de Andaman-kust
Ranong, de noordelijkste provincie aan Thailand’s Andaman-zee, ligt op slechts een steenworp afstand van Myanmar en voelt als een wereld apart. Dit is de natste plek van Thailand – met wel acht maanden regen per jaar en mistige bergen vol jungle – maar juist die weelde aan water maakt het zo groen en puur. De provincie is dunbevolkt, bergachtig en nog grotendeels onontdekt door massatoerisme.
De hoofdstad Ranong zelf bruist van een unieke mix: Thaise, Chinese en vooral Birmese invloeden zorgen voor kleurrijke markten, heerlijke visgerechten en een levendige grenscultuur.
Aan het waterfront liggen enkele boten richting Myanmar. De grens is hier nooit ver weg, ook al blijft alles opvallend rustig.
De beroemde Raksawarin hot springs laten we deze keer aan ons voorbijgaan, maar ze verklaren meteen waarom Ranong zo’n reputatie heeft als plek om te vertragen.
De natuur hier is puur en groen, met mistige bergen en weelderige jungle. Ranong is geen bestemming die je afvinkt, maar een plek die je toelaat om even stil te staan..
de kustlijn van de Andaman zee - de overkant is Myanmar
Van Ranong naar Prachuap Khiri Khan: Terug naar een vertrouwde parel
De routekeuze: Comfort boven avontuur
Na twee nachten in Ranong trekken we verder noordwaarts. Hoewel de verleiding groot is om dwars door het centrale bergmassief te rijden, zijn er in dat gebied maar weinig bruikbare wegen. Uiteindelijk kiezen we voor de comfortabele route via de hoofdweg: zo’n 320 km pure ontspanning op vier wielen.
Herinneringen aan Prachuap Khiri Khan
Prachuap Khiri Khan kennen we al goed van eerdere reizen in 2013 en 2014. Toen verbleven we in een klein, sfeervol hotelletje aan de kust, gerund door een Duitser. We herinneren ons nog levendig de gezellige visrestaurants die ’s avonds hun tafeltjes gewoon op de stoep van de promenade zetten, en de relaxte voetmassages aan de voet van de rots.
Een unieke geografische ligging
Prachuap Khiri Khan ligt op een heel bijzondere plek: aan de Golf van Thailand, precies daar waar het Thaise schiereiland (de Isthmus van Kra) het smalst is. Op het nauwste punt scheiden hier slechts ongeveer 12 à 13 kilometer land de Golf van Thailand in het oosten van de grens met Myanmar (Birma) in het westen. Het is één van de smalste plekken van heel Thailand – al ligt het absolute smalste punt van het hele schiereiland (ca. 44 km tussen Golf en Andamanzee) wat verder zuidelijk, in de provincie Chumphon.
De stad zelf heeft een prachtige, bijna filmische ligging: een mooie baai geflankeerd door steile kalksteenrotsen, een lange promenade en een relaxte, niet-over-toeristische sfeer. Het is nog altijd een van de rustigere kustplaatsen van Thailand, ideaal als je even wilt ontsnappen aan de drukte van Hua Hin (dat zo’n 90 km noordelijker ligt).
Khao Chong Krachok, het symbool van de stad
Khao Chong Krachok: De eyecatcher zonder de klim
En dan is er natuurlijk de iconische Khao Chong Krachok (ook wel Khao Chong Krajok), hét symbool van de stad. Deze steile heuvel van zo’n 245 meter hoog torent boven het centrum uit. De naam betekent ongeveer “Spiegelgat-heuvel”, door een natuurlijk gat in de rots dat de lucht weerspiegelt als een spiegel. Bovenaan vind je een klein, sereen boeddhistisch tempeltje (deel van Wat Thammikaram Worawihan) met een gouden chedi, heilige relicten en witte gebouwen met rode daken.
De officiële klim telt 396 treden – een pittige uitdaging, vooral in de hitte. Voor ons op deze leeftijd te lastig en te uitdagend, dus we hebben de klim overgeslagen. Gelukkig kun je de heuvel prima van onderaf bewonderen: vanaf de promenade, het strand of gewoon vanuit de stad zie je hem overal domineren, met de witte tempelgebouwen die fel afsteken tegen de groene helling.
De heuvel is bewoond door een grote kolonie langstaartmakaken (long-tailed macaques). Ze zijn speels maar vaak brutaal, vooral als ze eten ruiken. Van een afstandje zijn ze hilarisch om te zien – beter niet te dichtbij komen of iets voedzaams bij je hebben!
Het uitzicht vanaf de top moet adembenemend zijn – denk aan zonsopgang of -ondergang over de baai. Maar ook zonder de klim blijft Khao Chong Krachok een eyecatcher die de hele sfeer van Prachuap bepaalt.
We kijken ernaar uit…
We kijken ernaar uit om weer te genieten van de rustige promenade, verse vis op straat en een lekkere voetmassage aan de voet van de heuvel. Perfect voor wie het wat rustiger aan wil doen!
zeezicht - hier is het nu vloed. Het zwembad en de zee zijn precies één
Een Rustig Verblijf in Khlong Wan, Nabij Prachuap Khiri Khan
Ons Hotel in Khlong Wan: Een Verborgen Juweeltje
Ons hotel ligt niet direct in Prachuap Khiri Khan, maar iets zuidelijker in het rustige Khlong Wan. Tussen ons hotel en de stad ligt een pittoreske kleine baai, volledig ingesloten door hoge, weelderig begroeide krijtrotsen die een dramatisch en bijna intiem decor vormen. Khlong Wan zelf is een kalm vissersdorpje met een gemoedelijke sfeer, verse zeevruchten en mooie stranden in de buurt, zoals Ao Manao (een baai die deel uitmaakt van een militair terrein maar toegankelijk is voor bezoekers).
dolce far niente
Lieve aan het zwemmen
Naar Prachuap Khiri Khan: Een Korte Rit
Om naar Prachuap Khiri Khan te gaan, rijden we een tiental kilometer in onze Toyota – een eenvoudige en snelle rit over de hoofdweg. Eenmaal aangekomen parkeren we op de levendige promenade, vlak bij dat bekende restaurant met de blauwe plastic stoelen die ’s avonds gewoon op de stoep worden neergezet.
Het Restaurant: Verse Vis en Authentieke Charme
Wat dit restaurant zo bijzonder maakt, is dat de hele setting heel improviserend en ongepolijst is. De koeltoog met een uitgebreide selectie verse vis en zeevruchten staat gewoon op de stoep en dient meteen als natuurlijke afbakening van het restaurant. Alles ligt uitgestald op een bed van ijs, rechtstreeks uit de Golf van Thailand. Je kunt kiezen uit een gevarieerde menukaart, of zelf een vis aanwijzen en precies aangeven hoe je hem bereid wilt hebben: gegrild, gestoomd, gefrituurd of in een pittige curry. Het oogt primitief, maar dat is precies de charme – en de kwaliteit is uitstekend, net zoals we ons van eerdere bezoeken herinneren. Aan het aantal gasten te zien – vooral locals, aangevuld met een handjevol toeristen – zijn we zeker niet de enigen die er zo over denken. Het was weer vingerlikkend lekker!
de pier in Prachuap Khiri Khan
op wandel langs de kraampjes
Prachuap Khiri Khan staat bekend voor zijn lekkere visgerechten op de stoep van de straat
Ontspanning aan de Voet van de Rots
En nog altijd vind je pal op de stoep, aan de voet van de rots met de tempel (Khao Chong Krachok), die typische voet- en beenmassagesalons. Voor een honderd baht geniet je hier een uur lang van pure ontspanning, met uitzicht op de baai en de voorbijgangers. Een perfecte afsluiter na het eten.
Twee Avonden in de Oude Stad
Twee avonden achter elkaar zijn we naar de oude stad gereden voor dat heerlijke eten en de zalige voet- en beenmassages. ’s Avonds heeft Prachuap Khiri Khan een gezellige nachtmarkt-sfeer, met straatverkopers die gegrilde inktvis, tropisch fruit en andere lekkernijen aanbieden – een feest voor de zintuigen.
Morgen verlaten we dit betoverende vakantieoord en trekken we verder noordwaarts, met een tussenstop in Ratchaburi. Deze provincie staat bekend om haar beroemde drijvende markten (zoals Damnoen Saduak) en culturele hoogtepunten, waaronder de indrukwekkende Khmer-ruïnes van Wat Phra Si Ratana Mahathat. We kijken uit naar nieuwe ontdekkingen! 😊
Van sportief gasgeven tot gemaskerde militairen: Onze rit door Noord-Thailand
We hebben Prachuap Khiri Khan achter ons gelaten en cruisen nu richting Mae Hong Son – dat magische hoekje in het noorden waar we in 2013 en 2014 al zo verliefd op werden. Om die 1200 km een beetje menselijk te houden, heb ik drie tussenstops ingepland: eerst Ratchaburi, dan Kamphaeng Phet en daarna Mae Sot. En vanaf daar… de grote sprong de jungle in.
Kamphaeng Phet, waar we in 2013 al waren-, is nog maar een zeer vage herinnering . We willen nog eens kort een van de historische parken bezoeken – gewoon rustig wandelen tussen die eeuwenoude ruïnes, onder een dak van enorme teak bomen. De zon filtert door de bladeren, vogels fluiten… je hoort echt alleen je eigen voetstappen en het geritsel van bladeren. Het voelt alsof we even terug in de 14e eeuw stappen. En het mooiste: bijna niemand, het is zondag 18 januari. Geen tourbussen, geen selfiesticks, alleen wij en de geesten van het oude Sukhothai-koninkrijk.
The Wat Phra Kaeo
we wandelen door de eeuwenoude stad
we wandelen door de eeuwenoude stad
Dirk luistert naar de info die hij met de QR code opgehaald had
Lieve werd ondervraagd door studentjes die niet wisten wat "Europe" betekende
laat staan dat ze al gehoord hadden van "België"
We kwamen aan met een flinke dosis adrenaline na die waanzinnige rit vanuit Tak: 85 km redelijk nieuw asfalt dat zich als een slang door de Tenasserim-bergen kronkelt, haarspeld na haarspeld, uitzicht waar je mond van openvalt. Gelukkig is het nu een echte vierbaansweg met gescheiden rijstroken – geen tegenliggers die ineens op jouw baan opduiken. Maar ik geef toe: ik reed sportief. Heel sportief. Die bordjes met 30 of 50 km/u? Decoratie. Iedereen vliegt hier, locals gebruiken de volle breedte van hun eigen richting, snijden bochten af en halen in alsof de weg van hen is. Als je dan zelf iemand passeert… nou, dan bid je even dat die andere ook een beetje ruimte houdt. Hart in de keel, maar wát een kick – puur door het spel binnen de eigen baan. De Fortuner heeft weinig moeite met de soms forse hellingen en scherpe bochten.
een typisch beeld in Azië - verkoopsters aan de verkeerslichten
in Kamphaeng Phet staat een mooi tempel complex
mooie bergweg van Tak naar Mae Sot
Onderweg zagen we op diezelfde Tak-Mae Sot-route al een paar plekken waar ze bezig waren met herstellingen nodig na het wegspoelen van delen van de snelweg….typisch bergweg activiteiten in dit seizoen, maar het ging gelukkig vlot voorbij en we konden snel, gewoon doorrijden.
Op die route was er maar één roadblock dat ons echt opmerkte: zo’n 10 km voor Mae Sot, met gemaskerde militairen. Daar hadden we pech. “Park there, reverse, follow me.” Geen woord uitleg. Ik achter een gemaskerde kerel aan naar een container-kantoor, neer op een kinderstoeltje, paspoorten gefotografeerd met een mobieltje. Tien minuten later mochten we weer. Hartslag 180, maar verder niks aan de hand. Welkom in de grensstreek.
En ja, checkpoints in het algemeen. Op de jungleroute rond Mae Sot zijn er inderdaad veel golfplaten hutjes met zandzakken en militairen die loom naar je wuiven… of juist niet. Meestal mochten we gewoon doorrijden: raampje open, soms paspoorten laten zien, glimlach, khrap khrap, doei.
Dat legendarische restaurant uit 2014, Khaomao Khaofang met z’n nep-watervallen en jungle-sfeer? Foetsie. Verdwenen, dicht, weg. In plaats daarvan belandden we bij Safe House Restaurant – aan het water, live muziek, koude Singha, perfecte gegrilde riviergarnalen en een sunset waar je stil van wordt. Soms is een plan B gewoon even goed dan het origineel.
we reden dicht bij de grens van Myanmar en kregen om de haverklap border controles
in het midden van de rivier links is de grens van Myanmar en de weg rechts is Thailand
de Thaise chauffeurs snijden altijd hun bochten af - oppassen geblazen
hier kan men zien dat de weg door de jungle loopt
De - duizend - en - een - bochten - jungle - route
Ook die route reden we al in 2013, maar dan in de andere richting, van Chiang Mai over Pai en Mae Hong Son naar Mae Sot. Het is ±440 kilometer van Mae Sot naar Mae Hong Son. Dit traject is veel meer is dan een verbindingsroute. De eerste kilometers rond Mae Sot en de grensdorpjes zijn nog opvallend druk. In en rond de grotere agglomeraties delen we de weg met massa’s scooters, pick-ups en lokaal verkeer. Het tempo ligt hier lager en vraagt alert rijden, zeker waar dorpsleven en doorgaand verkeer naadloos in elkaar overlopen.
Zodra we verder noordwaarts trekken, verandert het karakter van de route voelbaar. Dorpen liggen verder uit elkaar, scooters verdwijnen bijna volledig uit het straatbeeld en de weg wordt rustiger. De teakbossen langs de flanken staan er in het droge seizoen kaal bij; hun grote, roestbruine bladeren vormen soms een glijdend tapijt op het asfalt. Het is geen detail om te negeren: in bochten vraagt dat wat extra aandacht.
Vanaf het moment dat de bergen echt beginnen, neemt de route het ritme volledig over. Bochten volgen elkaar onafgebroken op en bouwen zich geleidelijk op tot wat dit traject zo berucht maakt. Het verkeer is hier minimaal, waardoor we lange stukken rijden zonder tegenliggers. Regelmatig passeren we een militair controlepunt — routine in dit grensgebied — maar zonder oponthoud.
een heerlijk weerzien van Mae Hong Son - in 2013 en 2014 waren we hier ook
Hoe dichter we bij Mae Hong Son komen, hoe stiller en afgelegener de omgeving aanvoelt. De weg snijdt door kale teakbossen, diepe valleien en bergkammen, en geeft onderweg weinig afleiding. Dit is geen route om te haasten: regelmatige stops, en concentratie zijn essentieel. Wie de tijd neemt, ervaart hier niet alleen een van de meest bochtige wegen van Thailand, maar ook een traject dat langzaam loskomt van het alledaagse en bijna tijdloos aanvoelt.
Echter niet op de twee viewpoints waar nu tal van busjes halt houden om de toeristen de mistige berglandschappen te laten bewonderen. Waar vroeger lokalen in hun traditionele klederdracht de zeldzame reizigers begroetten staan nu ontelbare stalletjes. Evolutie?
Mae Hong Son 's avonds - iedere avond is er avondmarkt
Mae Hong Son
Mae Hong Son heeft een rijke geschiedenis die teruggaat tot de prehistorie, met archeologische vondsten in grotten (zoals in Pang Mapha) die wijzen op bewoning vanaf ongeveer 7.000–4.500 jaar geleden. De moderne stichting van de plaats begon rond 1831, toen Chao Kaew Muang Ma op bevel van de koning van Chiang Mai hier een kamp oprichtte om wilde olifanten te vangen en te trainen. De naam “Mae Hong Son” betekent letterlijk “rivier met een geul voor olifantentraining” (Mae = rivier, Hong = geul in Shan-taal). In de 19e eeuw trokken veel Shan (Tai Yai)-mensen uit naburige gebieden (nu Myanmar) hierheen door onrust en grensconflicten. In 1874 werd het officieel een stad onder leiding van Phraya Singhanatracha (Shangale), en later, na grensafspraken met de Britten in de jaren 1890, werd het volledig onderdeel van Siam (Thailand). Vandaag de dag blijft de provincie sterk beïnvloed door Shan-cultuur, bergvolkeren en haar geïsoleerde, mistige ligging.
en wat vinden we hier op de avondmarkt? Eén van onze geliefde gerechten: Banana roti
aan het ontbijt
bezoek aan het poppen museum van de Wat Jong Kham
een bezoekje waard
het museum telt een verzameling Birmese omgekeerde beschilderde glazen panelen die het verhaal van het leven van Boeddha vertellen
Mae Hong Son voelt nu nog steeds als dat vertrouwde, slaperige bergstadje van vroeger – een beetje slordig en authentiek, met hier en daar wat nieuwe gebouwtjes, maar zonder de massale toeristische make-over. Het centrale meertje (Nong Chong Kham) blijft het kloppende hart: ’s avonds hangt er die gezellige, ontspannen sfeer met de verlichte tempels (Wat Jong Kham en Wat Jong Klang) die prachtig reflecteren in het water, kerstverlichting slingers in de bomen (zelfs in dit boeddhistische hoekje en eetstalletjes en restaurantjes rondom.
Het herinnert ons aan die eerste keer, toen we van Pai over de de Mae Hong Son Loop met de 1864 bochten hier aankwamen. Het is rustig, niet overlopen door backpackers of luidruchtige bars – eerder locals en een handjevol reizigers die de tijd nemen om te zitten, te kijken en te genieten van de mistige bergen op de achtergrond.
we-vinden-het-hier-super
de Shan tempels van Mae Hong Son
De stad ademt nog altijd die afgelegen, vredige Shan-Burmese vibe, met weinig veranderingen in de kern: charmant chaotisch, sereen en tijdloos, precies zoals we het ons herinneren, maar met net dat tikje meer avondlijke gezelligheid rond het meer. Het voelt als thuiskomen in een plek die niet echt is veranderd, en waar elke avond weer een klein nieuw reisverhaal lijkt te beginnen.
we namen ons ontbijt bij een plaatselijke Thai - op het eerste zicht was het proper maar de orde en de keuken........
een voetpad in Thailand is niet zoals bij ons
we gaan Phra That Doi Kong Mu bezoeken
boven gekomen kregen we een mooi zicht over Mae Hong Son
De Karen-dorpen in Noord-Thailand: een herinnering die blijft
We hebben de Karen-dorpen in Noord-Thailand ooit zelf bezocht – de traditionele huizen op palen, de kleurrijke kleding, het handwerk en ja, ook de Longneck-gemeenschappen met hun iconische messing ringen. Het was een intense ervaring: een mix van fascinatie voor hun cultuur, warmte van de mensen en een vleugje ongemak over hoe toerisme soms speelt.
Sindsdien is er veel veranderd. Toerisme in Thailand is post-COVID weer booming, maar bij de Karen (vooral de Kayan Longneck) blijft de discussie over ethisch toerisme actueel. Sommige dorpen voelen nog steeds meer als attractie dan als authentieke gemeenschap, terwijl andere plekken (zoals community-based initiatieven rond Chiang Mai of Mae Hong Son) juist proberen bezoekers op een respectvolle manier te ontvangen – met workshops, verhalen en directe steun aan de locals.
Voor ons was één bezoek in 2013 genoeg om de indruk mee te nemen: de veerkracht, de ambachten en de complexe realiteit achter de toeristische façade.
dit is een foto van in 2013 toen we op bezoek waren in een Karen dorp
De weg van Mae Hong Son naar Pai
De ochtend in Mae Hong Son was nog fris en mistig toen we rond 10 uur de Fortuner startten. Voordat we de beruchte Highway 1095 opgingen, maakten we eerst een korte stop bij de Si Tong Par bamboebrug (Su Tong Pae), die prachtige brug van bamboe die over de rijstvelden en de Mae Sa Nga-rivier kronkelt. Hij is zo’n 500 meter lang – de langste in Thailand – en leidt van het dorp Ban Kung Mai Sak naar het serene Wat Tham Poo Sa Ma-tempel op een heuvel. Vredig, bijna magisch – een perfecte start van de dag, met die typische noord-Thaise rust en spiritualiteit. (De naam betekent zoiets als “succesvol gebed” in de Tai Yai-taal, en locals geloven dat een wens maken tijdens het oversteken uitkomt.)
de Bamboebrug loopt over een vroegere rivier naar tempels
hier kan je zien hoe de bamboe gevlochten is
we reden door een sprookjesachtig landschap
Honderden haarspeldbochten
Daarna pas echt op Highway 1095: honderden haarspeldbochten, dichte jungle en bergen die oneindig leken. In 2013 deden we ’m precies andersom met de FJ Cruiser – toen voelden de afdalingen intenser, ruiger.
De eerste pas kwam al snel: steil klimmend uit de vallei, en op de top het viewpoint met uitzicht over dalen en rijstvelden. Vroeger stonden hier locals in traditionele klederdracht – Karen of Lahu, kleurrijk en authentiek. Nu? Stalletjes vol souvenirs, koffie en toeristen die foto’s schieten. Drukker, commerciëler, maar het panorama bleef spectaculair.
we gaan aan de Mae Hong Son loop beginnen
de ene bocht na de andere - de ene haarspeldbocht na de andere
we waren niet alleen - die loop is door veel rijders gekend
een klein deeltje van de koop van Mae Hong Son
af en toe zijn er uitzichtpunten
Verder naar de tweede, hoogste pas – Ban Luk Khao Lam viewpoint. Lagen bergen zover je kan kijken, “mountains beyond mountains”. In 2013 stiller, puurder, met hill-tribe locals op de top. Nu parkeerplaatsen vol scooters en bussen, stalletjes overal. We pauzeerden even, ademden de koele berglucht in en dachten terug aan hoe rauw het toen was. Toch: nog steeds een van de mooiste wegen van Thailand .
Nu de laatste afdaling naar de vallei van Pai. De Si Tong Par-brug was de rustige opener geweest; de passen de epische climax. Pai ligt nu voor ons – tijd voor die relaxte vibe.
Het is iets over 15 uur, we parkeren de Fortuner op de parking van ons hotel. Het ligt op een paar honderd meter van het centrum
Dirk heeft er zijn plezier in om al die bochten te nemen
We zijn opnieuw in Pai, en wat een verschil met ons bezoek in 2013! Destijds was Pai nog echt een relaxte backpackers-bestemming: rustig, laid-back, met een klein centrum vol goedkope guesthouses, reggae-bars en een relaxte hippie-sfeer. Alcohol drinken op straat was streng verboden – een regel die ingevoerd was na een tragisch incident in januari 2008. Toen schoot een dronken, off-duty politieagent (Sgt. Uthai Dechawiwat) een Canadese backpacker, Leo Del Pinto (24), dood en verwondde diens vriendin Carly Reisig ernstig tijdens een ruzie in een restaurant. De dader werd uiteindelijk in 2013 veroordeeld tot 37,5 jaar cel. Die gebeurtenis leidde tot strengere handhaving van openbare orde-regels, waaronder het alcoholverbod op straat, om de veiligheid van toeristen te waarborgen
.
Pai de avondmark
Vandaag de dag is Pai flink veranderd en overrompeld door vooral jonge toeristen – veelal uit Azië en het Westen – die hier massaal naartoe komen voor de natuur, de vibe en het nachtleven. Het stadje, dat in 2006 nog maar zo’n 2.284 inwoners telde (nu rond de 2.500 in het centrum, met ruim 27.000 in de hele district), is getransformeerd van een verborgen juweeltje naar een populaire spot. Eenmaal aangekomen in Pai vind je nu tal van bars, hostels, yoga-shops en vooral veel reclame voor cannabis.
Sinds Thailand in 2022 cannabis decriminaliseerde (als eerste land in Azië), explodeerde het aantal dispensaries overal, ook hier in Pai. Je ziet overal neon-borden met wietbladeren, menu’s met strains en edibles, en lounges waar je kunt chillen. Weliswaar voerde de regering in juni 2025 strengere regels in: cannabis is nu weer grotendeels beperkt tot medischgebruik (met recept), reclame is verboden en recreatief gebruik in het openbaar is riskant. Toch blijft de ‘groene’ scene zichtbaar in toeristische hotspots zoals Pai – al zijn sommige shops gesloten of discreter geworden door de crackdown.
Niettegenstaande de waarschuwingen zagen we overal reclames van canabis shops
Ook in de shops waren de gebruikers niet verlegen om openbaar hun cigaretjes te rollen
Ook het centrum is veranderd: enkele straten zijn ‘s avonds afgesloten voor verkeer, net als in veel Thaise toeristenplekken. Auto’s en scooters maken plaats voor een levendige walking street vol stalletjes met streetfood, souvenirs, handgemaakte sieraden, live muziek en natuurlijk meer cannabis-gerelateerde kraampjes. Het voelt soms meer als een mini-Khao San Road dan het rustige Pai van vroeger, maar de natuurlijke schoonheid blijft intact: de bergen, de Pai-rivier, de rijstvelden en hotspots zoals Pai Canyon, de hot springs en watervallen (Mo Paeng, Pam Bok) zijn nog steeds adembenemend.
Pai behoudt wel zijn unieke charme: een mix van Shan-invloeden (vanwege de nabijheid van Myanmar), boeddhistische tempels en een relaxte bergvallei-sfeer. Het is nog altijd een plek waar je even kunt ontsnappen aan de drukte, al moet je nu wat verder buiten het centrum zoeken voor die pure rust. We genieten van de nostalgie én de nieuwe energie – Pai blijft boeien!
de Pai canyon bij zonsondergang
en de zon is onder
we hebben de zonsondergang gezien op een bijzondere plaats
Na twee heerlijke nachten hebben we ons hotel in Pai vaarwel gezegd en zijn we op weg naar Chiang Mai, waar we één nacht zullen verblijven. Het is een relatief korte rit van zo’n 110 km, maar wel eentje met maar liefst zo’n 700 bochten over een slingerende bergweg – spectaculair, maar ook best intens voor de maag en de polsen als je wat tempo wil maken!
Bij onze eerdere bezoeken aan Chiang Mai verbleven we altijd net buiten de oude stadsmuren. Dit keer hebben we bewust gekozen voor een hotel pal in het oude centrum: De Lanna Hotel, omringd door het klassieke kanaal (de gracht) en de restanten van de oude vestingmuren. Dat voelt meteen een stuk authentieker en centraler – en de naam past perfect bij de sfeer van de regio.
Chiang Mai werd in 1296 gesticht door koning Mengrai als hoofdstad van het Lanna-koninkrijk. De stad werd bewust vierkant aangelegd en beschermd door hoge muren en een brede gracht (moat) om zich te weren tegen invallen, vooral uit het toenmalige Birma (Myanmar). Van de oorspronkelijke muren is vandaag niet veel meer over – delen zijn verwoest tijdens oorlogen, gebruikt voor wegenbouw of gewoon afgebroken – maar de gracht is nog helemaal intact en vormt een mooi, groen lint rond de oude stad. De vier hoektorens (de “jaeng”) en enkele poorten zoals Tha Phae Gate, Chang Phuak Gate en Suan Dok Gate zijn gerestaureerd en geven een goed beeld van hoe imposant de verdediging vroeger moet zijn geweest.
we zien een deel van de oude vestingmuur van Chiang Mai
Dirk aan Wat Phrasingh
Lieve aan de drakenkoppen
Zoals in bijna elke Thaise stad of dorp is wandelen hier een hele uitdaging. Zelfs waar er al voetpaden zouden moeten zijn, kom je zelden 10 meter ver zonder obstakels: elektriciteitspalen, bloempotten, tafels en stoelen van eetstalletjes, uitgestalde koopwaar, gaten in de tegels, kapotte plaveisels, plotselinge trappen of opstapjes… Het is geen pretje. Een kinderwagen of rolstoel? Bijna onmogelijk. Lokalen zie je dan ook zelden te voet; iedereen kiest voor een scooter of brommer, die dan weer overal tussendoor scheuren, zelfs in de smalste straatjes.
Voor ons diner vanavond hadden we een restaurant uitgekozen op 2,3 km afstand. Gezien de voetpaden (of het gebrek eraan) hebben we voor de zekerheid een tuk-tuk genomen – die typische Chiang Mai-driewieler met z’n tweetaktmotortje en lekker rumoerige uitlaat. Heerlijk om even niet zelf te hoeven laveren tussen het verkeer. Terugkomen te voet tussen al dat drukke, gemotoriseerde gewoel bleek inderdaad een lastige klus. Niemand verplaatst zich hier echt te voet, en dat merk je.
Bij-de-Japanner-in-Chiang-Mai
Het Lanna-koninkrijk: waarom Noord-Thailand écht anders voelt
Het Lanna-koninkrijk (of Lan Na, letterlijk “Koninkrijk van een Miljoen Rijstvelden”) is dé historische reden waarom Noord-Thailand zo’n unieke vibe heeft – en waarom Chiang Mai voelt als een plek met een eigen ziel, los van de rest van het land.
Kort samengevat: het begon eind 13e eeuw met koning Mangrai (of Mengrai), een slimme Tai-leider die verschillende stadstaten (mueang) bij elkaar veegde. Hij had al Chiang Rai gesticht (naar zichzelf vernoemd, typisch koninklijk ego), maar na wat overstromingen en strategisch gepuzzel verhuisde hij in 1296 de hoofdstad naar Chiang Mai. Dat was geen toeval: hij koos een vruchtbare vallei, omringd door bergen, perfect voor rijst (vandaar die miljoen velden) en makkelijk te verdedigen. Hij versloeg of sloot bondgenootschappen met buren zoals het Mon-koninkrijk Hariphunchai (Lamphun/Lampang) en Phayao. Drie koningen – Mangrai, Ngam Muang en Ram Khamhaeng van Sukhothai – sloten zelfs een legendarische vriendschapsverdrag, wat leidde tot een soort “gouden drie-eenheid” in de regio.
Het koninkrijk bloeide vooral in de 14e en 15e eeuw. Onder koning Tilokarat (rond 1441–1487) bereikte Lanna zijn hoogtepunt: gouden eeuw qua boeddhistische kunst, literatuur, tempelbouw en handel. Ze verspreidden Theravada-boeddhisme (Lanka-stijl uit Sri Lanka) en bouwden iconische tempels die je nu overal in Chiang Mai ziet. Lanna was onafhankelijk, rijk aan landbouw, en een soort cultureel centrum in Noord-Thailand – met invloeden uit Burma, Laos, Yunnan (China) en zelfs verder.
Maar zoals bij zoveel koninkrijken: buren werden jaloers. In 1558 viel het machtige Burmese Toungoo-rijk (onder Bayinnaung) binnen en maakte Lanna een vazalstaat. Voor zo’n 200 jaar (tot 1775) zat het onder Birmese controle – soms met lokale koningen als puppet, soms met directe bezetting. De Birmezen plunderden tempels, deporteerden mensen en lieten Chiang Mai grotendeels vervallen. Pas in 1775 bevrijdde koning Taksin van Thonburi (later Siam) het gebied. Daarna werd Lanna stukje bij beetje ingelijfd bij Siam (het latere Thailand), en in de 19e/20e eeuw volledig geïntegreerd – tot het in 1932 officieel provincie werd onder de centrale regering.
Vandaag leeft Lanna vooral door in de cultuur: de noordelijke Thaise taal (Kam Mueang), de keuken (khao soi, sai ua, sticky rice met alles), de tempelarchitectuur, festivals zoals Yi Peng (lantaarns), en die relaxte, bergachtige levensstijl. Chiang Mai is nog steeds het kloppende hart van dat oude koninkrijk – vandaar die gracht, muren en tempels overal.
Dus als je nu door die chaotische straatjes slentert en denkt “dit voelt anders dan Bangkok”, dan heb je gelijk: je loopt door de echo’s van een onafhankelijk koninkrijk dat ooit serieus concurreerde met Ayutthaya. En ja, die miljoen rijstvelden? Die zijn er nog steeds – alleen nu met meer tuk-tuks en minder olifanten.
de ommuring van Chiang Mai
Verder zuidwaarts
Na een dag en een nacht de bruisende vibes van Chiang Mai opnieuw te hebben opgesnoven – met al zijn tempels, markten en chaotische energie – hebben we de tank van de Fortuner volgegooid en zijn we koers gezet naar het zuiden. Met een leuk ommetje via Lampang naar Phrae als eerste overnachtingsplek.
In Lampang waren we al eerder geweest. We logeerden toen in een charmant guesthouse pal aan de oever van de Wang-rivier: The Riverside Guest House, gerund door de super behulpzame en charmante mevrouw De Wit (met een Vlaamse moeder en Italiaanse vader – een perfecte mix van warmte en flair!).
Lampang heeft een mooie witte Wat Chiang Rai
in Thailand zie je van alles op de weg rijden
Phrae kenden we nog helemaal niet, en wat een fijne verrassing! De stad staat bekend om haar rijk versierde tempels en prachtig gerestaureerde teakhouten huizen – overblijfselen uit de tijd dat Phrae een belangrijke speler was in de teakhandel en een semi-onafhankelijk koninkrijkje. Je ziet overal die imposante, ornamentele houten architectuur: van oude herenhuizen tot tempels met ingewikkeld houtsnijwerk. Het voelt een beetje als een stap terug in de tijd, ver weg van de massa’s.
Ons hotel in Phrae, Meyom Palace, lijkt eerder op een Afrikaans koloniaal bouwwerk dan op iets typisch Thais: veel houten lambrisering in de grote hal met piano en het restaurant, zwaar houten meubilair en een warme, klassieke uitstraling. Prima plek om bij te komen na de rit.
de rij Boeddha's aan de Wat Sa Bo Kaeo
Wat Sa Bo Kaeo
Wat Methang Krawat in Phrae
Wat Methang Krawat in Phrae
Khum Chao Luang - Het Teak huis waar de laatste prins Phiriyathep woonde tussen 1889-1902
Dirk aan het Teakhuis dat nu een museum is
In Phrea staan er veel huizen volledig in teak hout
Volgende stop: Phetchabun (of Pechabun, zoals het soms wordt geschreven). Hier overnachtten we in een modern design hotel, Livist Resort Phetchabun. Een minimalistisch betonnen structuur met strakke lijnen, het tropische zwembad in de tuin, een rooftop zwembad met bijbehorend rooftop restaurant en onze kamer met een volledig glazen buitenwand. Niet per se authentiek Thais, maar wel super comfortabel en verfrissend na al die bochtenwegen.
rooftop restaurant in het hotel in Petschabun
Lieve voelt of het water warm genoeg is in het rooftop zwembad
Khao Yai National Park: Thailand’s eerste groene parel
En dan het hoogtepunt: Khao Yai National Park, het oudste nationale park van Thailand. Vroeger, 2013 en 2014, kampeerden we enkele dagen – Lieve had toen een onvergetelijk (en best spannend) moment met drie olifanten, en ik een bijna-confrontatie met de dominante mannetjesaap van een makaak-familie. Goede tijden!
Dit keer hadden we een hotel voor twee nachten geboekt, maar helaas bleek het niet ín het park te liggen zoals de beschrijving suggereerde, maar erbuiten. Jammer, want dat scheelt wel wat van die pure natuurbeleving. We hebben geen olifanten gespot deze keer (misschien ook maar beter met al die mensen), maar wel gibbons vlakbij horen zingen – magisch! – en een flinke varaan zien rondstruinen en de prachtig gekleurde neushoorn vogel gespot. Het park is nog steeds prachtig, met zijn regenwouden, watervallen en biodiversiteit, maar de massa’s toeristen maken het anders dan vroeger. In 2014 waren we vaak praktisch alleen; nu trekt het park meer dan 2 miljoen bezoekers per jaar (in 2025 zelfs 2,14 miljoen volgens recente cijfers – het populairste nationale park van Thailand!). Dat merk je aan de drukte op de wegen en paden, maar de natuur blijft overweldigend.
dit is de video van in 2014 waar we drie olifanten tegen kwamen op de weg in het park
opgepast olifanten op de weg
ons hotel dichtbij het park
Khao Yai werd op 18 september 1962 opgericht als het allereerste nationale park van Thailand – en het is nog steeds een van de grootste (derde qua oppervlakte, zo’n 2.166 km²). Het ligt op zo’n 180 km ten noordoosten van Bangkok, verspreid over vier provincies (vooral Nakhon Ratchasima), en maakt deel uit van het UNESCO-werelderfgoed Dong Phayayen-Khao Yai Forest Complex.
Het park is een biodiverse hotspot: meer dan 800 diersoorten (waaronder olifanten, gibbons, makaken, tijgers, beren en honderden vogelsoorten), tropisch regenwoud, semi-evergreen bossen, watervallen (zoals Haew Narok en Haew Suwat, bekend uit de film The Beach), graslanden en bergen tot 1.351 meter. Vroeger was het een toevluchtsoord voor avontuurlijke backpackers die met trein en lokale bus kwamen; nu is het een topattractie met goed ontwikkelde trails, viewpoints en nachtsafaris.
De explosieve groei in bezoekersaantallen (van zo’n 670.000 in 2008 naar meer dan 2 miljoen recent) brengt uitdagingen mee: files, afval en druk op de natuur. Het park probeert dat aan te pakken met regels zoals zero food waste tijdens piekperiodes en soms beperkingen op privévoertuigen. Toch blijft Khao Yai een must-see voor wie van wildlife en jungle houdt – een perfecte mix van toegankelijkheid en pure wildernis, al is het allang niet meer dat verborgen juweeltje van vroeger.
de ingang van het park
onderweg kwamen we waarschuwingsborden tegen maar we zagen er spijtig genoeg geen
we zagen varanen, Sambars, na veel geduld zagen we een Hornbill en een soort ooievaars
Na twee dagen in de jungle van Khao Yai – met gibbon-concerten en die ene varaan als onverwachte gast – hebben we de Fortuner weer gestart en zijn we verder zuidwaarts gereden richting Ayutthaya. Een rit ongeveer 150 km, zo’n 2,5 uur rijden over goede wegen maar soms akelige smalle secundaire wegen tussen de rijstvelden.
de route van Khao Yai naar Ayutthaya loopt in het begin dwars door een van de bekendste wijnregio’s van Thailand!
Wat we niet wisten: de route van Khao Yai naar Ayutthaya loopt in het begin dwars door een van de bekendste wijnregio’s van Thailand! Langs de weg passeren we meerdere wijndomeinen (vineyards en wineries) in de Khao Yai Valley – een verrassende ontdekking in dit tropische land. Thailand produceert inderdaad wijn, en Khao Yai is de bakermat van de moderne Thaise wijnbouw (sinds eind jaren ’80/begin ’90). Het gebied profiteert van de hogere ligging (300-400 meter), koelere nachten en droge periode, wat het mogelijk maakt om druiven te telen die normaal in gematigde klimaten groeien. Populaire variëteiten hier zijn Shiraz/Syrah, Chenin Blanc, Tempranillo, Cabernet Sauvignon en soms lokale kruisingen.
De Thaise wijnindustrie trok in de beginjaren expertise aan uit Europa, waaronder Oostenrijk (bekend om koele-klimaat druiven en innovatieve technieken). Sommige consultants, wijnmakers of partners kwamen uit Oostenrijkse hoek, en er zijn invloeden in methodes of variëteiten die aan Oostenrijkse stijlen doen denken (zoals frisse witte wijnen). Maar de meeste grote domeinen zijn Thais eigendom of familiebedrijven, zoals:
• PB Valley Khao Yai Winery (een van de oudste en grootste, gestart in 1989, met tours en proeverijen).
• GranMonte Vineyard and Winery (familiebedrijf, pionier in duurzame “New Latitude” wijnen, met awards en een sterke focus op Shiraz en Chenin Blanc).
• Alcidini Winery en anderen zoals Village Farm.
Veel wijnen zijn “New Latitude” – geteeld buiten de klassieke 30-50° breedtegraden – en verrassend drinkbaar, al zijn ze vaak zoeter en fruitiger door het tropische klimaat. We stopten niet uitgebreid (tijd/reisplanning), maar het was een leuke eye-opener: Thailand als wijnland? Absoluut, en Khao Yai is dé plek om het te proeven.
in Thailand hebben ze op veel plaatsen hele mooie verlichtingspalen
Ayutthaya: de glorieuze hoofdstad die verbrandde
Ayutthaya voelt als een compleet andere wereld na de natuur en nu deze wijnheuvels. Hier geen jungle of wijngaarden, maar een enorme historische site: ruïnes van tempels, paleizen en stupa’s verspreid over een eiland-achtig gebied omsloten door rivieren. Het is het kloppende hart van het oude Ayutthaya-koninkrijk (of Ayutthaya Kingdom), dat van 1351 tot 1767 bestond. Gesticht in 1350/1351 als tweede hoofdstad na Sukhothai, groeide het uit tot een van de grootste en rijkste steden ter wereld in de 17e eeuw – met meer dan een miljoen inwoners, een bruisend handelscentrum tussen China, India, Europa en het Midden-Oosten. Kooplieden uit Portugal, Nederland, Japan en Perzië hadden er wijken en pakhuizen. De stad was strategisch gelegen aan de Chao Phraya-rivier en zijrivieren, perfect voor handel en verdediging. Het was een machtig, kosmopolitisch rijk: een smeltkroes van culturen, met diplomatieke banden tot in Europa (de eerste Europese ambassade in Azië was hier!).
Helaas eindigde het in 1767 dramatisch: na een 14 maanden durende belegering verwoestten de Birmezen de stad volledig. Ze brandden alles plat, plunderden tempels en deporteerden bewoners. Wat overbleef zijn de stenen ruïnes – vooral tempels en paleizen, want die waren van baksteen en steen, terwijl houten huizen verdwenen.
de toeristen kunnen zich laten vervoeren, om de historische gebouwen te bewonderen, met een olifant
of ze laten zich vervoeren in speciale tuctuc taxi's
Vandaag is Ayutthaya Historical Park een UNESCO Werelderfgoed sinds 1991.
Het is drukker dan vroeger, maar nog steeds adembenemend: je wandelt tussen gigantische Boeddha’s, ingestorte torens en groene grasvelden, met overal die typische Thaise rust en spiritualiteit. Na de massa’s in Khao Yai voelt het hier beheersbaarder, al merk je dat toerisme in Thailand overal groeit (landelijk miljoenen bezoekers, maar Ayutthaya blijft een highlight voor geschiedenisliefhebbers).
Vanaf hier is Bangkok nog maar een uurtje rijden.
Slot
Na een maand vol onvergetelijke kilometers door Thailand – van de zuidelijke kustgebieden tot de noordelijke bergen – zijn we nu in Bangkok beland, in de levendige wijk Sukhumvit. Dit zijn onze laatste drie dagen voordat we de Toyota Fortuner inleveren en naar huis vliegen maandagavond 2 februari.
We zijn vertrokken vanuit Bangkok, reden eerst richting het zuiden tot in Thale Noi. Daar genoten we van de tropische vibe, stranden en eilanden in de buurt – typisch Zuid-Thailand met zijn palmbomen, turquoise water en relaxte sfeer. Daarna draaiden we de Fortuner noordwaarts over Krabi en Phuket eiland, terug door het land naar Noord-Thailand.
op weg naar Bangkok zagen we opnieuw een brug die gewoon stopt
De hele route leidde ons door een enorm contrast: van zonnige kustwegen met uitzicht op de Golf van Thailand of de Andaman zee ten Westen via groene heuvels en jungle, tot de slingerende bergpassen in het noorden met hun beroemde bochten. In totaal bijna 5000 km zonder ongeval in dat chaotische Thaise verkeer, waar regels meer als suggesties voelen. Scooters overal, lawaaierige pick-ups, onverwachte stops.
diegenen die dit dagelijks moeten meemaken hebben stalen zenuwen
Vroeger deden we gelijkaardige trips met de Toyota FJ Cruiser (totaal zo’n 19.000 km in 2012, 2013 en 2014), maar met links stuur was inhalen altijd een teamwork: copiloot permanent op uitkijk voor tegenliggers. Met de Fortuner (rechts stuur, zoals hier normaal) ging dat veel intuïtiever en veiliger. Wel even wennen: na bijna 70 jaar autorijden met spiegel-rechts zat die nu links – de eerste dagen voelde het alsof de auto scheef hing, constant hoofd draaien en spiegels bijstellen. Maar na een paar dagen reed het als een trein.
in het centrum vanSukhumvit staan er mooie torengebouwen
Om in ons hotel in Sukhumvit te geraken moesten we nog 1,2 km over Sukhumvit Road afleggen. Het was vrijdag namiddag, piekspits – en die korte afstand kostte ons meer dan een half uur. Files die amper vooruit kruipen, scooters die ertussendoor slalommen, taxi’s die stoppen waar het uitkomt. Bangkok herinnert je meteen: dit is stadsjungle, geen vrije highway meer.
Om in ons hotel in Sukhumvit te geraken moesten we nog 1,2 km over Sukhumvit Road afleggen. Daar hadden we drie kwarier voor nodig
Sukhumvit is een ideale afsluiter: bruisend met malls zoals Terminal 21 (verdiepingen als wereldsteden – fun om door te struinen), streetfood overal, rooftop bars met skyline-views en die mix van locals, expats en toeristen. De BTS Skytrain erboven is onze redding: file-vrij en snel voor de laatste uitstapjes.
Terugblikkend: van zuidelijke stranden via wijnheuvels in Khao Yai, historische ruïnes in Ayutthaya, tot de noordelijke tempels en bergen – Thailand in al zijn diversiteit. Wat een avontuur met de Fortuner als trouwe metgezel!
Nu nog even Bangkok proeven, vandaag de auto inleveren en maandagavond op naar het vliegveld. Tot de volgende reis… Stay tuned. 🏙️🚗🇹🇭✈️
Eens in ons hotel aangekomen hadden we wel een drankje verdiend
We zullen onze dagelijkse stops missen bij de 7 eleven waar we broodjes haalden die opgewarmd werden in een toaster