www.worldtravellers.be

 
If you cannot read Dutch, you can choose any language with the google translate tool

CHILI (5)

Onze foto's
 
 
 

 

 

 

 

 

 

 

 


Chili (5)
 

De valleien van de Pisco.

De douaniers hebben hun job grondig gedaan onze eieren hebben we moeten achterlaten. Na de politie en douanepost is de weg geasfalteerd en kunnen we wat sneller rijden. Het moet wel want het is al over 19 uur en straks is het donker.
Het is donker en 20 uur en we hebben nog geen hotel noch camping gezien. We slaan links af in de Elqui vallei in de hoop in de Pisco Elqui kloof – die is iets meer toeristisch, althans volgens de reclameborden die we zien opduiken – iets geschiktst te kunnen vinden. Van het landschap kunnen we niets zien, maar de smalle weg gaat omhoog. Het oogt hier inderdaad toeristisch. Er zijn tal van borden, in de dorpjes die we doorrijden, met verwijzing naar campings en hotels. Maar in het donker is het moeilijk te beoordelen wat goed of minder goed is. Dan maar even vragen:  “Senor, el mejor camping con una piscina esta en Pisco Elqui, es muy lindo!” krijgen we prompt te horen. We rijden dus nog maar 12 kilometer verder op zoek naar die camping.
We zijn in Pisco, de weg tussen de huizen is slechts een wagen breed. Waar is de camping? Een dame zegt dat er twee campings zijn. Welke is nu ‘de beste’?

De camping zonder naam vinden we niet direct en uiteindelijk stoppen wij bij het hotel met de naam ‘Gabriela Mistral' ook 'con piscina’. De naam 'Mistral' zien we vermeld op vele huizen. Señora Gabriela Mistral, een geëerde schrijfster -in 1945 kreeg zij de Nobelprijs voor literatuur- heeft een groot deel van haar leven verbleven en gewerkt in het dorp Monte Grannde, ze is daar ook begraven.

De volgende ochtend worden we wakker met de zon die al druk doende is de kille nachtelijke temperaturen (< 5°C)op te drijven. Het is nog maar 14° - wij zijn hier op 1.500 meter hoogte -maar toch aangenaam. We hebben een karig ontbijt genoten op het terras van het hotel Mistral, het zwembad hebben we gezien maar het water was net iets te fris om een aangename duik te maken. Hier verblijven staat niet op het programma. Hoewel deze streek best aangenaam en rustig is met een sterrenhemel die nergens ter wereld zijn gelijke heeft.
We rijden nog wat verder in de smalle kloof van de Pisco Elqui, bergop, tot waar de asfaltweg ophoudt en overgaat in aardeweg. Met wat manoeuvreren krijgen we de FJ gekeerd op het smalle weggetje en rijden nu de steile kronkelende weg terug die op een 50 a 100 meter boven de vallei bodem, in de berghelling is uitgegraven.

Net zoals in de Elqui vallei groeien de wijngaarden steeds aan, richting hoger op de berghelling. En dat kan alleen maar dank zij de techniek van irrigatie op de brokkelige en gespleten rotsgronden. De wortels van de wijnstokken moeten hun weg kunnen vinden in de steenachtige bodem. Een wonderlijk zicht. De kale bergen en onderaan de groene wijnstokken. Op de bodem van de vallei, waar een kleine stroom loopt, zijn alle vierkante meter bezet door wijngaarden. Net zoals in de meeste wijngebieden in Argentinië en Chili zijn alle jaren goede wijnjaren. Door het droge klimaat zijn er geen schimmels en practisch geen ziektes, en het grote temperartuurverschil tussen dag en nacht geeff de druiven een dikke schil.

De lage zon accentueert het reliëf van de grillige berghellingen en kleurt het groen van de wijngaarden tegen de bruine rotsgronden.
Ver rijden wij niet vandaag. In Vicunia hebben wij een camping met zwembad op 2 blokken van het centrum gevonden dank zij de hulp van de toeristische dienst. Uitgerekend verleden jaar waren wij in dezelfde omgeving en verpoosden we een paar dagen tussen de wijngaarden met muskaatdruiven. Dat we hier nu terug zijn heeft alles te maken met de vreemde vorm van het land dat Chili heet. Zeer smal en zeer lang, gewrongen tussen de Pacific en de Andes. En over de Andes zijn ten Noorden van Santiago slechts een drietal bruikbare grensovergangen, weliswaar op zeer grote hoogte (meer dan 4.500 meter).
De druiven die hier worden gekweekt -een zestal varianten van de Europese Muskaatdruiven - dienen voor de overgrote meerderheid tot het maken van Pisco. Er is ook nog rode dessertwijn en er zijn de witte zoete wijnen. Sinds 1931 is bij wet de 'Elqui vallei' de enige vallei, in Chili, die de alcohol met naam 'Pisco' mag produceren. Dit gebied heet “Zona Pisquera”. Dat is zowat vergelijkbaar met de Franse bescherming van de “champagne” streek.

Wat opvalt is, dat nog steeds vele terreinen worden klaargemaakt om nieuwe druivenstokken aan te planten. Sinds kort wordt in de Elqui vallei ook een rode Syrah gebotteld. En dat is de meest Noordelijke wijn die in Chili wordt verbouwd.

De goede kwaliteit van de druiven wordt toegeschreven aan het bijzondere microklimaat dat in de vallei heerst. Warm en zeer droog. De lucht is de zuiverste van de wereld (zo zegt men hier). Dat kan wel juist zijn want er zijn hier tal van sterrenwachten op de toppen van de heuvels. De jaarlijkse neerslag is omzeggens te verwaarlozen. Er is wel dauw naarmate men dichter naar La Serena gaat dat aan de Stille Oceaan ligt (62 km). Een bepaalde boomsoort kan hier groeien zonder water, enkel door de dauw te benutten.

Om 16 uur hebben we geboekt voor een rondleiding in de Pisco distillerij ‘Capel’. Hopelijk kunnen we op weg naar Capel ook nog benzine kopen want deze morgen waren de twee stations droog.
Het bezoek aan Capel heeft ons wat beter ingewijd in het nobele proces van het maken van Pisco. Op 1% na - export - wordt de ganse productie van Capel verbruikt in Chili…en dat zijn enkele tientallen miljoenen flessen per jaar.

We zijn pas begonnen met het klaarmaken van het eten als twee fietsers de camping binnenkomen. “Do you speak English?” vraagt de man met helm en mountainbike. De twee zijn uit Australië al een paar weken onderweg met de fiets vanaf Santiago en willen de komende twee maand tot in Bolivia en Peru geraken. Maar eerst moeten ze de pas over die we gisteren hebben gedaan, richting Argentinië. Die pas is zowat de ultieme uitdaging voor elke sportieve fietser. De eenzame fietser die we gisteren, boven, tegenkwamen was vermoedelijk een fransman maar er is ook een Duitser onderweg naar boven.

 

Terug naar Copiapo, de mijnstad.

Het is zaterdag 10 april en we zetten koers naar La Serena, 62 km van Vicunia. In La Serena hadden we verleden jaar mistig weer en was het slechts 16°C. Nu is er opnieuw mist en het is slechts 15°C. Bij de Toyota dealer die verleden jaar het onderhoud van de FJ heeft gedaan, willen we een pollenfilter kopen. Door het vele en ultrafijne stof op de pistewegen is de oude aan vervanging toe. Het kost enige moeite van de magazijnier de filter in zijn computerbestand te detecteren om dan vast te stellen dat de filter niet in voorraad is.
In La Serena willen we niet verblijven en we beslissen om naar Copiapo te rijden nog 345 km verder naar het Noorden. Ook in Copiapo zijn we al geweest. Maar Copiapo is de enige stad op weg naar de Andesoversteek met de Laguna Verde en die staat wel op het programma en dat hebben we nog niet gedaan. Met de ervaring van de laatste snelle rit over 4.700 meter willen we proberen een slaapplaats te vinden op wat lagere hoogte om dan met minder problemen voor Lieve de twee passen van meer dan 4.500 en 4.700 meter over te rijden.

Copiapo hier zijn we! Een ander hotel dan wat we verleden jaar namen, heeft geen internet dus gaan we maar terug naar het hotel “La Casona” van verleden jaar waar we samen met onze Poolse vrienden verbleven. Copiapo is een mijnstad al sinds de negentiende eeuw. Maar de bevolkingsgroei is fenomenaal. Nu 140.000 inwoners en in 1990 een goede 70.000! Hier is een museum met de meest uitgebreide collectie mineralen ter wereld. Op de Plaza staan Peperbomen (zij kunnen leven van de dauw) die in 1890 werden geplant als herinnering aan de overwinning van oorlog met Peru en Bolivia.

     

Naar de grens in de hoge Andes

Maandag 12 april, we hebben net proviand en drinkwater opgeslagen voor drie dagen. Genoeg denken we om de lange weg over de Andes te overleven. We voorzien ons tevens van extra benzine, want tussen Copiapo en het eerstvolgende tankstation in Argentinië is het meer dan 600 kilometer. Ertussen is er alleen maar woestijn en hoogvlakte.
De weg is aanvankelijk in goede staat. Het is aardeweg maar vermengd met een soort olie. In goede staat ziet hij er van op afstand uit als een asfaltweg. Hij bolt lekker zacht.

Maar op de weg is er relatief veel verkeer van grote vrachtwagens die van en naar de mijnen rijden. Die mijnen liggen verspreid over een uitgestrekt gebied en op grote hoogte. We zien af en toe trucks met reserveonderdelen voor de machines en voertuigen die in de mijnexploitaties werken. Hoe verder we vorderen en hoe hoger we rijden hoe meer de kwaliteit van de weg erop achteruit gaat.

Het landschap is ruw en afwisselend. Eens rijden we op open vlaktes en wat later in een smalle kloof. We zijn al iets meer dan 150 kilometer van Copiapo verwijderd en we zijn van 500 meter naar 4.000 meter gestegen. Rondom ons zien we de bergen van 5.000 en 6.000 meter. Nu dalen we weer wat en zien beneden ons een vuil witte zoutvlakte en wat verder de gebouwen van de grensautoriteiten van Chili.

We informeren bij de douane hoever de Laguna San Rosa en de Laguna del Negro Franscisco nog verwijderd zijn. De eerste ligt op een klein uur rijden (40 km) de andere kryptoniteblauw kleurige Laguna op wee uur of 140 kilometer vanaf Santa Rosa. Bij de laatste laguna bevindt zich een min of meer comfortabele Conaf hut (met elektriciteit) bij Santa Rosa is de ‘refugio’ rudimentair. Graag zouden we nog naar de verste laguna rijden maar het is al over 18 uur en omstreeks 19 uur is het hier donker en de weg is slechte ripio.
Je houdt het niet voor mogelijk hoeveel rijsporen er in een woestijn kunnen zijn. En dan stelt zich de vraag. Welk spoor moeten we volgen om in de kortste tijd naar ons doel te rijden? Met behulp van het kompas proberen we de juiste richting uit te rijden. Wij zijn op een grote vlakte 3.800 meter hoog. De zon gaat langzaam onder en buiten is het 4°C. Ik geloof dat we in de verte de refugio gespot hebben en we nemen de pistes die ernaar toe lijken te leiden. We moeten nog een heuvel om rijden en bij het afdalen zien we de blauwe laguna met aan de oever een houten gebouwtje. Als we dichterbij komen zien we een olijfkleurige pick-up en een klein tentje dat staat opgesteld een 20 tal meter van de refugio. Een man is bezig stenen te stapelen aan de windzijde van het tentje, aan de vrouw vragen we of de refugio misschien is gesloten.

 

Een vreselijk koud avontuur.

De refugio is open maar het koppel uit Zwitserland wil liever in hun tent slapen. Kwestie het avontuurlijke wat te accentueren, zegt Thiery. De wind blaast en de temperatuur is ondertussen al gezakt tot 0 °C.

De zonsondergang kleurt de bergen achter het meer vuurrood, en die weerspiegelen in het blauwe water alsof dat laatste een vlakke spiegel was.

De refugio is een hut met drie ruimtes. Twee om te slapen zonder meubilair en een kleinere om eten klaar te maken want daar staat een tafeltje en twee kaduke plastieken stoelen. Ik moet de tent openvouwen om de matrassen en slaapzakken eruit te halen want we verkiezen in de stofferige hut te overnachten. Zonder gewenning is haastige arbeid op 3.880 meter een niet te onderschatten inspanning. Het lukt mij voor donker de job te klaren.

Ondertussen zijn Lieve en Petra begonnen met het klaarmaken van een spaghetti a la Bolognaise.
Lieve heeft weer last van de hoogte maar houdt zich kranig. We maken tijdens het eten wat nader kennis met het Zwitsers paar dat tot onze grote verwondering uitgerekend in hetzelfde bedrijf van onze Bart in Zurich werkt, en die hem ook nog kennen.

De nacht was koud, zeer koud. De blauwe lucht zien we ’s morgens door de spleten aan de rand van het dak maar we blijven nog wat liggen tot de zon wat sterker is.

Lieve is er niet goed aan toe. Ik ben ondertussen bezig met de voorbereiding van het ontbijt. Ik giet ook de extra benzine in de tank van de FJ. De Zwitsers hebben hun bevroren tent op zijn zijkant, in de zon opgesteld om te ontdooien. Ons drinkwater in de refugio is nog bevroren en de temperatuur is nog maar -7°C. In beweging en in de zon is het buiten aangenamer dan binnen in de houten hut.
Negen uur en Petra en Thiery proberen hun gehuurde diesel Ford pick-up te starten. Als de motor uiteindelijk na twee minuten proberen aanslaat produceert die een vreselijke walm. Maar ze kunnen voorzichtig vertrekken en hun geplande drie maanden reis verder zetten. “Chao, chao..”
Een uur later vertrekken wij, maar niet naar de verdere laguna maar zo snel mogelijk naar de grens. We moeten helemaal de weg terug naar het grensgebouw aan de salar. De douane en immigratiediensten van Chili zitten wel op 70 kilometer van de werkelijke grens en 90 kilometer van de Argentijnse grenspost.
Lieve’s conditie is er niet beter op geworden en we moeten terug over een pas van 4.736 meter.

De ‘Laguna Verde’ ligt op minder dan twintig kilometer van de top van de pas, de grens. Het waait er hard en de wind doet het groenblauwe wateroppervlak schuimen. Er zijn twee kleine warmwaterbronnen aan de rand van het meer, maar het is nog steeds 7° onder nul en pootje baden zelfs in heerlijk warm water is een te grote uitdaging. Even de temperatuur monsteren met de hand vind ik al voldoende.
Bij de afdaling naar de oevers van het meer, terwijl ik amper 10 kilometer per uur reed, heeft een kleine witte steen onze vooruit beschadigd en is er nu een klein putje achtergebleven.
Tot nog toe waren we gespaard gebleven van dat soort problemen. Gebroken voorruiten is een normaal verschijnsel op de Patagonische ripio. Er zijn er op een dag meer gebroken voorruiten dan dat de Antwerpse politie parkeerbonnen kan uitschrijven. En in ieder dorp of stad vind je bedrijfjes die de “parabrisas” repareren.


Na een babbel met de ranger aan de rand van het meer zetten we onze rit verder. We moeten nog een 200 kilometer rijden vooraleer we een eerste dorp tegenkomen in Argentinië.